Kind kan niet tegen verliezen? Waarom dat hoort bij de ontwikkeling

7 september 2026 · Bas, mede-oprichter

Kind kan niet tegen verliezen? Waarom dat hoort bij de ontwikkeling

Je speelt gezellig een potje mens-erger-je-niet, tot jouw pion er vlak voor de finish uitvliegt. Het bord gaat de lucht in, de tranen komen en de avond is voorbij. Als je kind niet tegen verliezen kan, herken je dit waarschijnlijk maar al te goed. Het voelt ongemakkelijk, zeker als het gebeurt bij vriendjes thuis of op een verjaardag. Toch is een kind dat niet tegen verliezen kan geen kind met een karakterprobleem. Het is een kind dat nog volop aan het leren is, en dat leren gaat nu eenmaal met horten en stoten.

Waarom je kind niet tegen verliezen kan

Voor jou is een spelletje een spelletje. Voor een kind van vier, vijf of zes is het veel meer dan dat. Jonge kinderen kunnen zichzelf nog niet los zien van wat er gebeurt. Verliezen betekent niet "deze keer had de dobbelsteen pech", maar "ik ben de slechtste". Dat is een enorme conclusie om binnen twee seconden te trekken, en het verklaart waarom de reactie zo groot is.

Daar komt bij dat het deel van de hersenen dat helpt bij het temperen van emoties zich pas laat ontwikkelt. Een kind voelt de teleurstelling dus in volle sterkte, terwijl de rem er nog nauwelijks is. Rond een jaar of zeven zie je vaak dat het kantelt. Kinderen gaan dan beter begrijpen dat geluk en toeval meespelen, en dat je morgen gewoon weer kunt winnen. Bij het ene kind duurt dat langer dan bij het andere, en kinderen die snel perfectionistisch zijn of gevoelig voor faalangst hebben er soms nog jaren last van.

Let ook op het moment van de dag. Na een lange schooldag is de emmer vol en is er geen ruimte meer voor tegenslag. Een spelletje na het avondeten loopt daarom vaker mis dan datzelfde spelletje op zaterdagochtend.

Wat vaak averechts werkt

De verleiding is groot om je kind expres te laten winnen. Even geen gedoe, iedereen blij. Op korte termijn werkt dat, maar je kind leert er niets van en voelt vaak feilloos aan dat je het weggeeft. Bovendien wordt de klap groter zodra het bij een vriendje wel echt verliest.

Ook zinnen als "het is maar een spelletje" of "niet zo flauw doen" landen zelden goed. Ze zeggen tegen je kind dat het gevoel er niet mag zijn, terwijl het gevoel juist heel echt is op dat moment. Hetzelfde geldt voor meteen naar de kamer sturen. Dan leert je kind vooral dat boosheid gevaarlijk is, niet hoe je ermee omgaat.

Wat wel helpt, is eerst benoemen wat je ziet. "Balen zeg, je was er bijna." Daarna pas de regel: het spel blijft op tafel, gooien doen we niet. Erkenning en grens in die volgorde, want een kind dat overspoeld is, hoort de grens anders niet eens.

Zo oefen je thuis met verliezen

Verliezen leer je door het vaak mee te maken in kleine, veilige porties. Begin met spellen die kort duren, zodat een verlies snel gevolgd wordt door een nieuwe kans. Kies in het begin liever geluksspellen dan spellen waarbij je kunt uitrekenen dat je gaat verliezen, want dan blijft het lang spannend en voelt de uitslag minder persoonlijk.

Coöperatieve spellen zijn een mooie tussenstap. Iedereen speelt samen tegen het spel, waardoor je kind ervaart dat samen spelen leuk is zonder dat er iemand hoeft te verliezen. Daarna kun je rustig weer wisselen naar spellen met een winnaar.

Het krachtigste middel heb je zelf in handen: laat zien hoe jij verliest. Zeg hardop wat je voelt en hoe je daarmee omgaat. "Hè, wat jammer, ik had gehoopt dat ik die zes zou gooien. Volgende keer weer." Kinderen kopiëren dat soort zinnen letterlijk. Complimenteer daarnaast niet alleen de winst, maar ook het volhouden, het eerlijk spelen en het feit dat je kind na een tegenvaller toch doorging.

En spreek dingen van tevoren af. Wie mag beginnen, wat doen we als iemand boos wordt, en dat we het spel afmaken. Afspraken die er al liggen voordat de emoties oplopen, werken veel beter dan afspraken die je er middenin doorheen probeert te krijgen.

Verhalen als veilige oefenplek

Kinderen leren enorm veel van verhalen, juist omdat er in een verhaal geen echte gevolgen zijn. Een personage dat de wedstrijd verliest, daarna teleurgesteld op de bank zit en de volgende dag toch weer meedoet, geeft je kind een voorbeeld dat blijft hangen. Praat er daarna kort over. "Wat zou jij doen als jij hem was?" Zulke gesprekjes gaan verrassend diep, en ze gaan makkelijker over een boekfiguurtje dan over de ruzie van gisteren.

Bij Kids Chapters maken wij boeken waarin je kind zelf de hoofdpersoon is, met verhalen waarin doorzetten, oefenen en opnieuw beginnen een plek krijgen. Je kind leest dan niet over iemand die het lastig vindt, maar over zichzelf die het toch weer probeert. Dat maakt de stap van verhaal naar de eigen speeltafel een stuk kleiner. Benieuwd hoe dat eruitziet? Kijk gerust rond op kidschapters.com.

En mocht het vanavond weer misgaan bij het spelletje: dat hoort erbij. Elk potje is oefening, ook de potjes die eindigen in tranen.